Potter’s Field

Het bezoek aan het Potter’s Field van Evergreen Cemetery op 20 september 2011 doet me totaal van koers veranderen.

Mijn idee dat ik alle onbekende doden die ik tegenkom een plaats moet geven op Find a Grave en ook hier, laat ik noodgedwongen varen.
Alleen al op dit veld liggen er duizend (zo niet meer). Wat is de zin van het invoeren van John Doe -cijfer- en John Doe -cijfer- en dat dan duizenden keren?
Niemand zal ooit weten wie deze onbekende doden zijn. Zij ontlenen er geen troost aan en hun nabestaanden evenmin.
Vanaf nu richt ik mij op de armen met wél een naam. Ook al is dat vaak slechts een achternaam (met al dan niet eraan toegevoegd -cijfer-).

Op 20 oktober 2011 ga ik terug.
Ik weet nu hoe het veld eruit ziet maar zoals vaker met begraafplaatsen doet dit niets aan de betovering af.

Een grote zanderige vlakte is het.
(Bak)stenen in lange rijen, ruwe wagensporen er tussen.
John Doe – John Doe – John Doe – Jones – John Doe – John Doe – Sanchez – Rodriguez – John Doe – John Doe – John Doe.
En de stenen met alleen een cijfer.

De oudste graven dateren van de jaren dertig van de vorige eeuw, de meest recente van de jaren negentig.
De meeste graven hebben geen datum, alleen naam of nummer.

Aan de zijkant tegen de heg die grenst aan de rest van de begraafplaats staan enkele normale grastenen. Oude grafstenen.
Zodat ik denk: zouden ze daar zijn begonnen? Was het toen nog geen armenveld?

Een aantal graven heeft later een echte steen gekregen. Er liggen ook veteranen.
Bij meer dan ik had verwacht liggen attributen en kunstbloemen.
Dan heb ik het over ook weer niet meer dan tien-vijftien graven en die verwachting is gebaseerd op wat ik weet van Holtville.

Hier geen No Olvidados. De Border Angels doen deze plek blijkbaar niet aan.
Hoewel – op de foto’s zie ik stokjes die vergane kruisjes kunnen zijn. Ik heb er geen bijzondere herinnering aan maar er stónd bij een klein aantal graven in één hoek dus wel iets.

Ik zal er nog vaak terugkeren. Omdat ik (weer: door Holtville) heb ontdekt dat het kán gebeuren dat iemand denkt: mijn ver familielid dat ik steeds niet kon vinden kán liggen op het arme deel van Evergreen Cemetery.

Verder vind ik dit soort plekken ook erg mooi.
De eenvoud, de grote vlakte, vrijwel niemand die meer ‘is’ dan een ruwe baksteen.

Eenvoudige grafstenen






Enkele andere grafstenen




Graven die niet zijn vergeten





Algemene begraafplaats

De begraafplaats van Oosthuizen ligt achter de Grote Kerk.
Nu liggen veel begraafplaatsen bij een kerk, maar deze kerk torent er werkelijk bovenuit. Indrukwekkend.

Hij is een erkende bezienswaardigheid, gebouwd in het begin van de 16e eeuw, voor het laatst gerestaureerd in 2003.

Rechts van de kerk is het pad naar de begraafplaats.
Twee zuilen, een ijzeren hek.

De eerste indruk, door de boom en boompjes en het gebouwtje links, is van vele rijen en diep de diepte in.
Rechts een heg, links een woonwijk.

De begraafplaats is minder groot dan ik eerst denk. Veel oude stenen zie ik niet, de meeste beginnen omstreeks 1950. Wel veel recent. Ook kindergraven. En -opvallend- veel keurig kiezels-aangeharkte plekken dwars door de velden heen. Mogelijk gereserveerde plekken. Of er is hier door de jaren heen drastisch ‘geruimd’.

Terugkerende namen. Bakker, Bibo, Bijleveld, De Groot, Kaandorp, Kramer, Ossebaar, Visser.
Ouderwetse stenen, moderne stenen. Frutsels.

Wanneer ik er op 29 november 2011 ben, breekt opeens de zon door.
Zó veel mooier en vriendelijker wordt opeens de begraafplaats.
Snel maak ik een paar foto’s, richting de kerk. Want die staat, misschien niet toevallig, heel duidelijk ‘in het zonnetje’.

Even plots is de zon weer weg.
Voor optimale beleving en optimale foto’s moet ik terugkomen.

Wel gevonden, zonder er nota bene naar te zoeken, de steen van de Bekende Nederlander op deze begraafplaats.
Lizzy Sara May (zij krijgt later een aparte vermelding).

Graven (klik voor vergrotingen)

 
 
 

 
 

Lizzy Sara May

Zorgvlied met alle graven van beroemdheden heb ik nog niet bezocht, zodat ik het al heel wat vind als ik lees dat de schrijfster Lizzy Sara May in Oosthuizen begraven ligt.
Ik neem me voor niet naar haar graf te speuren, omdat dat afdoet aan de begraafplaats-ervaring die ik zoek: openstaan voor de sfeer, me laten verrassen en ontroeren door details.

Stom toevallig is het graf van de schrijfster 1 van de eerste die ik zie.
Het ligt aan de rechterkant tegen de zijkant (een heg).
 
Twee platte vierkante stenen. Een mooi ontwerp met bloemen. Perfect in combinatie met de kleuren van de herfst.
Op elkaar afgestemd. Bovenaan: Miliaan Timmers (30-9-1958 overleden 5-10-1962). Onderaan: en zijn moeder. Lizzy Sara May dus.
De stenen lijken tegelijk gemaakt. Geen kleurverschil.
Zouden ze allebei zijn gemaakt nadat zij was overleden?

Wie wás ze eigenlijk, Lizzy Sara May. Behalve ‘schrijfster’ en (relatief) beroemd.
Wikipedia geeft een klein portretje.
Alle portretjes die ik elders aantref zijn vrijwel identiek. Ze geven in elk geval niet meer informatie.
 
May (geboren als ‘Maij’) is getrouwd geweest met een jurist die Proper heette en kreeg met hem de zoon Rogier Proper. Later is ze gehuwd met de schrijver Oscar Timmers. Hij was dus de vader van Miliaan.
‘Een dochter van Lizzy Sara May’ was, vertelt Wikipedia, gehuwd met Louis Ferron. Wanneer ik die opzoek heeft de ‘dochter van’ opnieuw geen eigen naam (of een vader). Ze stimuleerde Ferron te gaan schrijven, staat er wel.

May schreef proza en poëzie en kinderboeken. Bij Wikipedia staat een lange lijst met publicaties. Niets komt me bekend voor. Áls ik al eens iets van haar heb gelezen, is me dat ontschoten.

Ook bol.com geraadpleegd. Enkele boeken zijn nog tweedehands verkrijgbaar.
Misschien wordt ze in bibliotheken nog frequent uitgeleend.

3 november 2011

Op 2 november 2011 hoor ik op Radio 1 een mooi programma over Allerzielen.
Ik wil mijn eigen zielen herdenken en bij gebrek aan eigen grafstenen bezoek ik de R.K. begraafplaats in De Rijp.

Hij ligt er mooi bij dankzij de mensen die al langs zijn geweest en bloemstukken en kaarsjes hebben neergezet.
Fleurig geel en wit en paars tegen de achtergrond van de meest stemmige stenen en de herfsttinten van de bomen.
Ik besluit vandaag terug te gaan (dan zijn er ook minder mensen) en foto’s te nemen.

Helaas zit het weer niet mee.
Het is grauw en dan gaat het ook nog regenen.

Toch een paar foto’s (en volgend jaar beter).

Pet cemetery Sunset Vista

Wanneer ik op 29 september 2011 Sunset Vista Cemetery bezoek, vraagt de caretaker me een week later terug te komen. Aangezien de pet cemetery waar hij me ziet rondlopen er nu niet uitziet maar hij daar volgende week iets aan gaat doen. Schoonmaken.
Ik vertel dat ik een paar weken elders vertoef maar dat ik voor ik terugvlieg nog een paar dagen in Yuma ben en dan zeker zal langskomen.

Op 20 oktober is het zover.
Pet cemetery ziet er op afstand niet anders uit dan anders: een groot grasveld.
Dichtbij blijkt dat er wel degelijk aan is gewerkt: van de stenen op de eerste rij en van enkele op de tweede rij is het onkruid weggehaald. Van de overige stenen niet.
Wat kan verklaren waarom de caretaker uit de verte vriendelijk naar me zwaait maar geen praatje komt maken.

Ik maak wat foto’s (meeste volgen later).
Wat ik nu lief vind om te laten zien zijn de graven van Measles en zijn echtgenote.
Die samen 22 kinderen kregen. De grafsteen van Measles is een beetje schoongemaakt, ik probeerde zelf die van zijn vrouw te reinigen maar dat onkruid is hardnekkig – dat lukte dus niet.
 

Nu ik er toch ben maak ik een rondje rest van de begraafplaats.
Vergezeld door veel vogels met hun gezang (1 roadrunner kruiste de road toen ik de begraafplaats opliep maar wou niet gefotografeerd) lees ik stenen en maak foto’s.
Deze steen is op zijn minst opmerkelijk (even op klikken).

Dan het grote veld met de veteranengraven.
Ook daar zijn bijzondere stenen. Wanneer ik na een uur ermee kap stopt een bestelwagen en een man vraagt waarom ik foto’s maak. Een moment van twijfel. Soms wordt dat nl. niet gewaardeerd.
Nu wel.
Of ik weet dat George W. Bush hier begraven ligt, lacht de man.
Ik zeg dat ik het weet maar dat ik het graf niet ben tegengekomen. Daar, wijst hij.
Achter die boom.

Vooruit dan maar. Ik loop erheen en fotografeer de grafsteen van George W. Bush (1918-1992) die in de Tweede Wereldoorlog in de US Navy heeft gestreden.
Aan de voet van zijn steen de wat overwoekerde steen van zijn vrouw (geb. 1926 en nog niet dood of toch niet hier begraven).
 

Dit is al de tweede keer dat ik door personeel naar deze steen word gewezen.
Ik snap wel dat het iets komisch heeft. Maar toch.
Het is alsof je deze George W. Bush iets wezenlijks ontneemt.

Grafstenen Punjabi mannen en Mexicaanse vrouwen

Ik zoek naar grafstenen van Punjabi mannen (waarschijnlijk Singh geheten) met Mexicaanse vrouwen.
Evergreen Cemetery is groot dus wanneer ik op 19 oktober 2011 twee echtparen -bij elkaar in de buurt begraven tussen voornamelijk Spaanse namen- vind ben ik opgetogen.

Wat me opvalt is het grote leeftijdsverschil.
Ik zal over een half jaar teruggaan. Op zoek naar meer.


 

International (of: Independent) Order of Odd Fellows (IOOF) – Section I

Zonder vooropgezet plan rijd ik op 18 oktober 2011 Yuma Cemetery op.
Ik hoop dieren te zien (gebeurt niet – wel hoor ik vogels), ik zal in elk geval even Catholic Section oplopen (doe ik altijd).

Ik zet de auto onder een boom en rechts daarvan is Section I.
De Int’l Order of Odd Fellows. Geen idee wat dat is. Wikipedia leert me later dat het een groepering is die (mij) doet denken aan de Vrijmetselaars (Masonic Lodge).
Misschien geen toeval dat de graven van deze organisaties naast elkaar liggen.
Met kleine stokjes ertussen.
(ik zal me er later in verdiepen beloof ik bij deze)

Het veld dat er op het eerste oog weinig inspirerend uitziet, verrast. Ik zie buitenlandse namen (Duits, Spaans) en Engels dat mogelijk echt ‘Engels’ is in de zin van: daar als pioneer vandaan gekomen.
Grote graven met een hele familie erin (de ene steen mooier dan de andere), veel treurige kleine steentjes met alleen de overlijdensdatum. Engelen, een Madonna. Onleesbare stenen, ingevallen graven, 1 graf, dicht bij een fonteintje, dat bijna wegzakt door het vocht.
Wel wat versiering maar niet erg recent.

Ik loop van Odd Fellows naar de Vrijmetselaars en terug.
Later wanneer ik de foto’s bekijk kan ik niet goed plaatsen welk graf nu waar lag (ik pak dit niet systematisch aan).

Dan stap ik op het eind, ik kan het niet laten, toch nog even de Catholic Section binnen.
Het blijft mijn favoriete deel.
Andere velden kan ik regelmatig met andere velden verwarren, de Catholic Section is uniek.

Graven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ash Fork Settlers Cemetery

Ash Fork is een klein plaatsje aan Route 66.
Een wat suffig ogend plaatsje, in scherp contrast met het 20 km verderop gelegen overdreven toeristische Seligman.
Volgens Wikipedia heeft het een roerig verleden en bloeide het op toen in 1882 de Santa Fe Railroad er doorheen liep. Later ging het bergaf maar in de jaren vijftig werd alles -tijdelijk- beter door Route 66.

Wanneer je er nu binnenrijdt zie je vooral vergane gebouwen en een levendige stenenindustrie. Geen idee wat voor stenen het zijn, waar ze vandaan komen en wat je ermee kunt doen.

Ietsje buiten het dorp aan de overkant van de railroad ligt de begraafplaats.
Een groot bord wijst de weg. Een grote boog zegt: hier is het. Een plaquette onthult dat in 1910 C.T. Lewis deze 12 acres kocht om te dienen als begraafplaats.

Hij ligt schitterend. Groot en ruim, schuin tegen een heuvel. Een intrigerende mengeling van links vooral oude graven en elders meer recente. Mooie beelden, bloemen. Kleine witte kruisen. Wel namen, niet namen.

Niet netjes in rijen ingedeeld maar lukrak over perken verdeeld. Zodat ik zwerf van hier naar daar en dan weer overstekend en weer terug en sommige graven zie ik meerdere keren en andere heb ik vast overgeslagen.

Tegen de achterwand een herdenkingsteken voor de Onbekende Soldaat.
Sowieso veel oud-militairen hier met meest wat verwaaide vlaggetjes.

Terwijl ik er ben rijd een vrouw rond op een maaiwagentje. Een volunteer.
Ik vraag hoe het zit net de witte kruisen zonder namen. Is onbekend wie daar ligt of is ergens een lijst en liggen er alleen geen stenen op.
Er blijkt geen lijst te zijn. Nou ja, wel een korte lijst. Maar zonder locaties.

Ze weten niet eens precies hoeveel mensen er liggen. Soms gaan ze met een witching rod het linkerdeel op. Laatst nog. Ze vonden tien nieuwe graven.

Deze begraafplaats is gratis. Je hoeft als je er wordt begraven alleen de graafkosten te betalen, niet de plek.
Mensen willen er graag begraven worden als hun familie er al ligt.
Hebben ze geen geld voor een mooie grafsteen, dan kan er via een fonds voor een arme-mensen-steen worden gezorgd. In het stadje stelt iemand voor $ 10 een steen ter beschikking waar iemand in Flagstaff helemaal gratis wat in graveert.

De vrouw met de maaimachine wijst naar een steen over mijn schouder. Hij ziet er knap uit.
Als ik het niet had geweten had ik gedacht dat-ie met opzet zo mooi simpel was gemaakt.

Sandy Cemetery

Een paar miles ten zuiden van het plaatsje Wickieup is Cholla Canyon Ranch Road.
Een mijl op deze goede zandweg zal me brengen naar Sandy Cemetery – rechts van de weg.
Ik rijd er op 8 oktober 2011 heen en ben de begraafplaats bijna voorbij wanneer ik die zie liggen.
Klein, 20 x 30 meter schat ik. Hooguit.

Een hek er omheen, struiken, hoge cactussen.
Het geluid van een specht op de top van een van de achterste cactussen.

Zo’n kleine begraafplaats, zo mooi gelegen.
Ongeveer 30-40 graven, een deel met mooie stenen, goed schoongehouden.
Twee omheiningen waarvan de ene slechts 1 graf lijkt te bevatten.

Verder hoopjes stenen die duiden op andere graven waarvan onduidelijk is of er ooit grafstenen of kruisen op hebben gestaan. De meeste graven zijn van 1890 tot 1920. Dan 1933 en 1941.
En – opmerkelijk – twee recentere graven.
Robert ‘Bob’ Tyler (1930-1990) en Laura Jean Thomas (1959-2006).
Identieke kruisen. Zijn ze hier echt begraven? Wat is de relatie tussen beiden? Of zijn het symbolische kruisen? Misschien bedoeld om uit te drukken dat hun hart hier lag/ligt?

Op verschillende plaatsen op het net zijn (korte) lijstjes met namen van wie hier o.a. begraven zijn.
Bij Find a Grave staan meerdere biografietjes – daar kom ik later op terug.

Hier vond ik nog dat Wickieup vroeger Sandy heette omdat het aan de Big Sandy River ligt. Vandaar natuurlijk: Sandy Cemetery.

Er staat ook een verhaal over de Indianen die hier ooit woonden (Hualapai en Yavapai Apaches) en de blanke settlers waar ik niet veel touw aan kan vastknopen maar dat kan aan mij liggen.
Iets verderop aan de Cholla Canyon Ranch Road ligt nog een stukje Hualapai reservation.
Te herkennen aan erg veel ‘Verboden toegang’-borden.

Desert Lawn Memorial – achterin

Desert Lawn Memorial bezoek ik zelden.
Meestal rijd ik er even overheen om via die route het naast geleden Yuma Cemetery aan te doen.

Wat me dan treft is het contrast: kleurige boeketten, ballonnen, jubelende sprinklers die zorgen voor sappig groen gras vs een troosteloze zandvlakte met onleesbare stenen en afgebroken kruisen.

Wanneer ik er op 1 oktober 2011 overheen rijd, laat ik de afslag naar Yuma Cemetery links liggen en rijd tot helemaal achteraan. Daar liggen de veteranen (en ook andere mensen) maar vooral veteranen.
Een groot monument staat er ter ere van de strijders.
Maar wat er veel minder is dan elders is sappig gras (hele plekken zijn dor) en hier zijn de meeste graven juist niet versierd.

Ik loop rond. Zie veel stenen voor mensen die ongeveer 15 jaar geleden zijn overleden, ook eerdere en meer recente stenen. Bij die van vorig jaar en dit jaar liggen bloemen. Verder amper.
Ook zitten er tussen het gras enkele erg arme kleine steentjes met nauwelijks leesbaar de naam.

Op Memorial Day zal het wel anders zijn. Dan krijgen de veteranen hun witte kruisje en hun vlaggetje (tot die weer worden ingenomen voor volgend jaar).
Maar wat een raar idee om maar eens in het jaar een weekje te worden herinnerd.

Terwijl ik rondloop zit op een paar meter afstand een vogel hard te zingen.
Alsof hij op zijn manier dit deel van de begraafplaats toch sfeer wil geven.

Desert Lawn Memorial – inzoomen op ‘achterin’

 
  
 
 

Sunset Vista Cemetery – revisited

‘Even’ wil ik op 29 september 2011 langs gaan op Sunset Vista Cemetery.
Hopend op de roadrunner die ik er zag telkens wanneer ik er was.

Ik besluit me te beperken tot de pet cemetery. Die er niet zo best uitziet. Vrijwel alles is overwoekerd. Wanneer ik onkruid even wil wegduwen voor een betere foto blijkt dat niet mogelijk, zo sterk en ruw is het.
Er zijn wel stenen maar slechts 2 wat lullige plastic boeketjes.
Ik steek over naar de menselijke doden wanneer een man me aanspreekt. Ik heb belangstelling voor de dierenbegraafplaats? Laat hij die nou net volgende week gaan opknappen. Dan moet ik terugkomen.

Weet ik dat ze een George Bush hebben? Daar, bij die boom.
Niet de echte, zeg ik. Nee, maar ze hebben ook een Noriega.
Ik spreek bewondering uit voor de mensenbegraafplaats die er mooi bijligt. Volgende week de dieren, belooft hij nogmaals. Ik beloof dat ik terugkom. Over twee weken en een paar dagen.

Ik loop nog wat rond, zie 1 vogel, niet een roadrunner.
Soms, heeft de man me nog verteld, heeft hij er drie achter z’n maaimachine. Voor de insecten.
(en ik nog denken dat ze lizards zouden eten)

Ik maak wat foto’s en wanneer ik wil wegrijden zie ik een omheining/schuur openstaan.
Veel witte kruisen. Zoals worden neergzet op Memorial Day.
Ook grafstenen. Snel een foto. Dat is een grafsteen voor een in 2001 overleden dode. Zou die binnenkort hier worden begraven? Zou er een andere steen op het graf staan?
Graven worden hier toch niet geruimd??

Van de pet cemetery nu geen foto’s: ik geef de caretakers de kans over 2 weken sterk terug te komen.

Instortingsgevaar

De laatste keer dat ik in Holtville ben, word ik aangenaam verrast door de op het Potter’s Field versierde graven. Handbeschilderde houten kruisjes, voor elk graf 1.

Ik ben erop voorbereid dat het er nu minder feestelijk zal uitzien. Storm en regen hebben vast omgeblazen en weggewaaid.
Dat klopt.
Maar wat is er met de grond gebeurd?
Hij is nat, ik zak er een beetje in weg. Klei is het maar van een speciaal type.
Grote, zware auto’s hebben over het pad gereden en diepe sporen getrokken. Aan de zijkant van het pad en deels erop liggen houtsnippers.

Ik heb genoteerd waar ik vorige keer ben gestopt en pak het fotograferen weer op bij Row 9.
Niet alleen zijn kruisjes weg, zie ik. Ook stenen ontbreken. Hoe kan dat nou? Die waaien niet weg en niemand zal ze toch meenemen? Soms staat er nog wel een mager kruisje maar ontbreekt de steen. Ik herinner me dat vorige keer ook niet alle graven een steen hadden, maar nu lijken dat er meer.

Wat echt erg is: er zijn gaten. Niet onschuldige gaten zoals van holletjes van gophers. Echt diepe gaten. Kuilen. Ik voel de aarde veren. Ik aarzel of ik hier wel mee door moet gaan.
Ook gedachtig de verhalen (ja hoor, daar gaan we weer: op dit moment grijpen horror stories die vast zijn verzonnen hun kans).
Ik denk dus: dadelijk zie ik botten. Of op z’n minst een body bag.

Maar ik ben er nu toch en zal de graven met de grotere kuilen mijden en mijn fotoronde afmaken.
Dan, op row 13 een echt diepe kuil. Kijken? Kijken.
Vanaf toch veilige afstand zie ik niets. Geen botten, geen grijpende handen. Foto’s maken dus maar en die straks goed bekijken. (Wat niks oplevert)

Het is een deprimerend bezoek vandaag. Dus maak ik om mezelf wat op te vrolijken of op z’n minst de gedachten te verzetten een wandeling over het mooie deel van Terrace Park Cemetery.
En ontdek dat je ook hier als graf(steen) je stevig bestaan niet zeker bent.

Potter’s Field

Langzaam rijd ik op 20 september 2011 naar het achterste deel van Evergreen Cemetery.
Het is het oude deel. Met staande stenen onder grote bomen (het nieuwere deel heeft platte stenen met groen gras).
Ik ben op zoek naar het oudste deel, in de hoop daar meer te weten te komen over de pioniers die in dit deel van de Imperial Valley een nieuw leven zijn begonnen. Ik verwacht veel verschillende landen van herkomst aan te treffen.

Het veld is snel gevonden. De auto kwijt raken is vers twee. Zomaar ergens neerzetten wat elders kan, lukt hier niet door de smalle paden. Zodat ik een hoek omsla en een veld zie liggen dat sterk lijkt op het Potter’s Field van Holtville.
Verboden toegang staat er. Alleen toegankelijk voor personeel.
Omdat ik nu toch al zover ben rijd ik door en parkeer precies achter de heg, uit het zicht vanaf de officiele begraafplaats.
In de verte is een man aan het schoffelen. Hij negeert me.

Snel maak ik wat algemene foto’s. Ook fotografeer ik een aantal stenen. Mexicaanse namen, een enkele Engelse naam, veel John Does en: nummers. Rijen van nummers. Nog veel meer onbekende en arme doden dan in Holtville. Een enkele versiering bij een graf en: niets recents.

Ik keer de auto en zet die verderop. Fotografeer onder de bomen en wanneer een begrafeniswerker me vriendelijk toelacht vanuit zijn auto waag ik het erop.
Mag ik iets vragen? Dat deel daar, zijn dat de arme mensen? Ja, vertelt hij, dat is ‘County’.
Arme mensen en illegal aliens, ga ik door? Want ik zag: John Does. Inderdaad. John Does, Jane Does, bij enkele graven heeft familie een steen toegevoegd.
En die nummers, zeg ik. Ja, zegt hij. (Pas later denk ik: ik had moeten vragen of de nummers onbekenden zijn of dat er ergens een groot boek is waar bij elk nummer wel degelijk een ‘mens’ staat genoteerd).

Worden er nog steeds mensen begraven, vraag ik. Zoals in Holtville.
Nee, zegt hij. Voor zover hij weet niet. Hij werkt hier 20 jaar en de laatste 2 jaar is er niemand begraven. Maar hij heeft vrijdag en zaterdag vrij. Het kan dus dat het dan gebeurt. Maar misschien niet en gebeurt het nu alleen in Holtville.
Ik moet denken aan de verdenkingen. Dat in Holtville midden in de nacht stiekem de illegalen worden gedumpt. Ik durf hem niet te vragen of dat hier mogelijk kan zijn.

Later, na wat googlen, schrik ik hoe ik mezelf heb laten beinvloeden door een artikel dat ik toen ik het las pure verdachtmaking vond. Toch bleef blijkbaar iets hangen.

Het zit -hier- nl zo: in El Centro was het armenveld al in 1996 vol.
Toen is men in Holtville met een dergelijk veld begonnen.
Althans – zo lees ik het hier.

Waarom is het verboden toegang wil ik nog weten. Dat heeft te maken met de bodem. De doden zijn nl niet zo begraven als hier, in het sjiekere deel (stomme ik vraagt weer niet door – bedoelt hij dat ze niet in kisten liggen, misschien zelfs niet in body bags? dat ze niet erg diep liggen? iets anders?). Maar daardoor is het gevaarlijk er met een auto te rijden. Die auto kan wegzakken.

Mag ik er rondkijken? Dat mag. Ik zal immers niets kapot maken? Alleen fotograferen, zeg ik.
Om als iemand anders wel bezwaar maakt te kunnen zeggen “ik had toestemming van X” vraag ik zijn naam. Carlos. Ik ben Jeannie. “It was nice talking to you,” sluit ik af. Dat vond hij ook, zegt hij.

Ik loop terug naar het Potter’s Field. Maak nog wat foto’s. Probeer te schatten hoeveel graven er zijn. Meer dan in Holtville. Duizend? Meer dan dat? John Doe ligt naast John Doe ligt naast John Doe. Niet zoals in Holtville met Row x – y in de steen gekerfd. Maar ook met als extra: een nummer. Staan ze dan echt allemaal in het Grote Boek?

Dan dringt tot me door: alle John Does een plek geven op internet, 1 voor 1, als de individuen die het waren voordat ze zonder naam dood werden aangetroffen – dat gaat me nooit lukken. Het zijn er teveel waarvan ik nog maar een zeer klein deel heb gevonden.

Als ik iets voor ze wil betekenen moet het anders aangepakt. Weg van het individu, meer toespitsen op de grote lijn wat in deze regio betekent: de troosteloze tocht vanuit Mexico, door de woestijn met al z’n gevaren.

En dat is tegelijk wat ik *niet* wil.
Omdat het me niet alleen om issues gaat maar juist om de mensen die ze treffen.

Martinez Lake Road Cemetery

Ongeveer 50 miles ten noorden van Yuma is Martinez Lake. Een ‘resort‘ is een groot woord voor de wrakke huisjes en trailers en het kleine winkeltje en het café.
Maar het is een populaire plek voor vissers en als er niet net een motorboot voorbij raast kun je er ook vogels zien.

Een mijl of vijf vóór het meer is een kleine begraafplaats: Martinez Lake Road Cemetery.
Ik las er over en hij werd beschreven als ‘located down a steep embankment’, amper te zien vanaf de weg.
Dat steep viel erg mee. En als je weet waar hij moet liggen, zie je hem direct.

Curieus is het wel, dit plekje.
Een muurtje met een plaquette, paaltjes met kabel die voor een afbakening zorgen.
Naamloze graven. Maar wel met kunstbloemen erop.

Op de plaquette staat 1 naam, Antonio Preciado (adult). Verder John en Jane Does. Volwassenen en kinderen. Overleden in 1899.
Onderzoekers van Arizona Pioneer & Cemetery Research Project probeerden te achterhalen wie hier liggen. Ze benaderden The Yuma Women’s Reel & Rod Club die in 1977 de plaquette plaatste maar kregen geen reactie.

Van Denise Bausch, Visitor Services Manager van de Imperial National Wildlife Refuge ontvingen ze dit:
“In the 1800s a Hispanic family came up river on a steamboat and settled at what is now Fisher’s Landing. They all died in a Small Pox epidemic and were buried on an island in the lake. When Imperial Dam was to be built, O.C. Johnson Mortuary dug up the remains and moved them to the cemetery. I believe the original island was inundated when the Dam was built. The cemetery is now maintained by the Women’s Club. Unfortunately, that is all the information I have at this time.”

APCRP verhaalt over de Colorado rivier, de Imperial Dam en een klein begraafplaatsje dat door het aanleggen van de dam onder water kwam te liggen zodat de lichamen werden verplaatst.
Dit was dat begraafplaatsje.
Zoals over de grens in Californië Potholes werd verplaatst.

Interessant is nog dat O.C. Johnson Mortuary is opgericht in 1907 om in 1937 het Johnson Mortuary and Desert Lawn Memorial Park te worden, de grootste netjes bijgehouden begraafplaats in Yuma.