Hanksville Cemetery

Hanksville is een erg klein stadje in Utah.
Zo klein dat het pas in 1960 electriciteit kreeg.

Ik ben er vroeger veel geweest en overnachtte dan altijd in Fern’s Place, een klein motel met enkele losse huisjes.
Het motel is van eigenaar veranderd, heet anders en ziet er verloederd uit.
Ik neem me voor op de begraafplaats te zoeken naar het graf van Fern (dat ik niet zal vinden).

Hanksville is ontstaan rond 1880 en heette toen Graves Valley.
Omdat de indianen hier hun doden begroeven (waar die graven nu zijn wordt nergens vermeld).
In 1885 wordt het plaatsje Hanksville genoemd, ter herinnering aan Ebenezer Hanks (1815-1884), die hoorde tot de eerste settlers en die als eerste op de begraafplaats is begraven.
Een vriend financierde een grote marmeren steen – die in elk geval in 2006 (ik zag een foto uit dat jaar) nog fier overeind stond maar die toen ik er in augustus 2014 was bleek te zijn omgevallen en gebroken.

Hanks was mormoon, net als zijn vrouw Jane Wells Cooper, met wie hij in 1839 trouwde.
Omdat ze onvruchtbaar bleek nam hij in 1860 een tweede vrouw, de toen 15-jarige Sarah Casper.
Volgens Barbara Ekker, de vrouw die alle verhalen over de inwoners van Hanksville kent en waar mogelijk heeft geverifieerd, was deze Sarah niet blij met de avances van Hanks maar is ze net zo lang door haar vader geslagen tot ze ermee instemde met hem te trouwen.

De begraafplaats van Hanksville ligt op een heuvel direct buiten het stadje.
Je komt er via een kronkelende dirt road.
Er staat een hek omheen, er zijn veel graven (er is ruimte voor nog veel méér).
Plastic bloemen, prikplantjes.



Veel dezelfde namen.
Niet alleen Hanks.
Ook Ekker, Hunt, McDougall, Robison en Weber.

Om je heen een adembenemend mooi uitzicht.

New Harmony Cemetery

Omstreeks 1854 bouwde een groep Mormoonse pioneers in deze buurt Fort Harmony als vertrekpunt om de omgeving te verkennen (en in te lijven).
Acht jaar lang woonden er ongeveer driehonderd mannen en vrouwen.

Na een overstroming verhuisden ze naar een hogere plek en noemden die New Harmony.
Niet alleen omdat het letterlijk een nieuwe ‘Harmony’ locatie was, maar ook omdat ze wel wat ‘harmony and united action‘ konden gebruiken in moeilijke tijden.

In 1860 woonden er 74 mensen, tien jaar later 243.
Daarna werd het minder en weer eens wat meer en nu zijn het er 200.
Er is een klein postkantoor waar alle mensen uit de hele vallei een postbus hebben: het lijkt het middelpunt van het dorp waar men elkaar treft.

De begraafplaats ligt aan de rand van het dorp met mooi uitzicht op de bergen en de weilanden.
Er zijn enkele stenen van de pioneers en er is veel ruimte voor nieuwe graven.





Pintura (of: Gregerson Family) Cemetery

Pintura is een gehucht langs I-15 tussen St. George en Cedar City.
Er is niets voor de buitenstander te vinden: geen café, geen winkel, geen benzinepomp.
Wel is er een kleine begraafplaats die bijna grenst aan de snelweg.
Je weet dat je te ver bent gereden wanneer je op het zandpad aanrijdt tegen een bord met ‘Keep Out’.
Dat soort borden staan daar trouwens méér. Ook veel ‘Private Property’ en ‘No Trespassing’.

In 1858 stopt hier een mr. Morrill.
Hij ziet mogelijkheden, werkt hard en creëert “quite a nice ranch” zoals een van de bronnen het omschrijft.
Pintura heet dan Ashton, naar het riviertje de Ash dat er langs loopt.

Vijf jaar later arriveren meer families, er worden huisjes gebouwd, sloten gegraven en er wordt groente geplant.
Helaas valt de rivier droog en in 1864-66 verlaten de oorspronkelijke settlers het gebied.

In 1868 komen nieuwe pioneers. De families (James) Sylvester bijvoorbeeld en ook de familie (Andrew F.) Gregerson.
De naam van het stadje wordt veranderd in BellView (of Belleview of Bellevue).
Omdat het landschap de vorm van een bel zou hebben en omdat het uitzicht er mooi is.

Op zijn hoogtepunt wonen hier 150 mensen die voor een groot deel leven van de productie van wijn (gemaakt van uit Frankrijk geïmporteerde druivenplanten van hoge kwaliteit).
Ook stond Belleview bekend als ‘Great Camp Ground’ omdat het precies tussen St. George en Cedar City lag en op de route naar Silver Reef met zijn zilvermijnen.
Er was zelfs een hotel.

Wanneer Utah in 1919 de handel in alcohol tot staatszaak maakt, graven de bewoners van Bellevue noodgedwongen hun wijnranken uit en gaan over op suikerriet, fruitbomen en hooi.

In 1925 verzoekt de Post Office het stadje een andere naam te kiezen.
Bellevue komt elders ook al voor en leidt tot verwarring.
Het wordt ‘Pintura’ (‘schilderij’ in het Spaans) vanwege de vele prachtig gekleurde rotsen in de omgeving.

Pintura Cemetery wordt ook wel Gregerson Family Cemetary genoemd. Die naam staat ook op het hek.
Het is een kleine, omheinde begraafplaats met – schat ik – enkele tientallen graven.
De meeste zijn inderdaad van leden van de familie Gregerson (van vele ontbreekt een steen), verder veel van de familie Sylvester.

Er worden nog steeds mensen begraven.

Silver Reef

In 1866 ontdekt John Kemple zilver op deze plek, vlakbij het stadje Leeds.
Het duurt even voordat dit wordt geloofd omdat zilver gewoonlijk niet wordt aangetroffen in zandgrond.
Wanneer blijkt dat Kemple gelijk heeft stromen de miners toe en in 1879 wonen hier 2000 mensen.
Lees op Wikipedia een uitgebreid verhaal over Silver Reef met oude foto’s.

Opmerkelijk: Silver Reef was geen mormoonse gemeenschap – vrij uniek voor deze streek van Utah.
Er is -verklaarbaar- dan ook geen mormoonse begraafplaats maar wel een protestantse en een katholieke.
Ergens lees ik over een Chinese begraafplaats: “There was a Chinese Cemetery until the mining shut down and a wealthy Chinese man from San Francisco had all the remains exumed, placed in tea boxes and transported back to China so they could be buried in the land of their ancestors.”
Het kan waar zijn want veel Chinezen werkten eind 20e eeuw in de Amerikaanse mijnbouw in het westen of aan de spoorlijn.

Op diverse plaatsen op het web wordt Silver Reef beschreven als een ghost town met een museum.
Het klopt dat de ‘old timers’ weg zijn en het museum is er inderdaad.
Het is klein en omdat ik niet dol ben op kleine musea waar je als enige bezoeker verplicht een bepaalde tijd moet doorbrengen omdat de trotse bezitter anders ongelukkig is, ga ik er niet heen.

Restanten van ‘vroeger’ staan vóór het gebouwtje.
Roestige spullen. Op één staat ‘Gold’ wat dus echt flauwekul is want goud is hier nooit gevonden en er is ook niet naar gezocht.

Verder vallen langs de weg naar het museum en er omheen vooral veel sjieke huizen op, recent gebouwd of in aanbouw.
Hoezo ‘ghost town’?

Een man vertelt me later dat dit deel van de stad ‘El Dorado’ heet – een toepasselijke naam.
Zelf woont hij ‘in the bad part of town’ aan de andere kant van de heuvel.

Shivwits Cemetery

De Shivwits zijn indianen die deel uitmaken van de Paiutes.
Rond 1100 vestigen zij zich bij de Santa Clara River en de Virgin River in zuidwest Utah.

In 1776 dendert de Dominguez-Escalante Expedition door hun gebied en dan gaat het bergaf (lees het beknopte verhaal bij Wikipedia).
Tenslotte wordt de stam een reservaat en dan raken ze het beetje grond weer kwijt en nu hebben ze een paar vierkante kilometer (Wikipedia denkt nog minder maar ik rijd regelmatig door het gebied en dat lijkt me toch echt overdreven).

In het reservaat ligt een begraafplaats.
Je kunt hem vanaf de weg zien liggen in de diepte.
Maar hij het pad naar beneden staat een paal met ‘No trespassing’.
Zodat ik het er de keren dat ik hier eerder was niet op waag.

Wanneer ik hier in oktober 2013 weer kom, schrijf ik de stam een email.
Dat ik graag de begraafplaats wil bezoeken, maar dat het bord er staat terwijl ik óók zie dat Find a Grave wel degelijk foto’s heeft geplaatst.
Terwijl ik ook heb gehoord dat native Americans er soms bezwaar tegen hebben als hun graven worden gefotografeerd.

Ik krijg antwoord.
Hope Silvas schrijft: “Anyone is welcome to visit the cemetery as long as they are respectful.”
Het verbodsbord is ooit opgehangen vanwege vandalisme maar mag ik negeren.
“Not sure about the taking pictures part.”

Waaraan Jetta Wood toevoegt: “People still take pictures of the cemetery.”
Jamaar, denk ik: mág het nou.
Dat vraag ik nog een keer voor alle zekerheid maar nadere reactie blijft uit.
Zodat ik het toch eng vind de begraafplaats te betreden tot ik vandaag op Wikipedia zie dat “Their Band Chairperson is Jetta Wood”.
Met een print van de correspondentie in de achterzak durf ik het nu wel aan.

alg1

Voor de begraafplaats staat een bord dat 18 hier begraven ‘warriors’ eert die voor Amerika in het buitenland hebben gestreden.
(geen foto omdat ze zon er zo op scheen dat ik er zelf in werd gereflecteerd, wel een foto bij FaG)

De begraafplaats zelf is een schitterende mengeling van kleine, oude stenen (veel onleesbaar), enkele (niet eens veel) graven zonder steen en nieuwe stenen, frutsels, bloemen.
Veel markers van begrafenisondernemingen zijn verwerkt in de graven, ook als die verder wel een steen hebben.
Dat is bijzonder, vaak worden de metalen markers dan weggehaald.

Sommige graven lijken bewust te zijn begroeid.
Alsof de natuur de vrijheid heeft gekregen maar niet als ’troep’.

Ik zie namen die duiden op indianen maar ik zie bij sommige markers ook de letters LDS (Latter Day Saints = mormonen).
Het is dus niet een uitsluitend indiaanse begraafplaats.
Recente graven zijn er ook.
Met veel bloemen.
Enkele met plantjes die recent water hebben gekregen.

Een prachtige plek waarover ik tot nu toe geen achtergrondinformatie heb gevonden.
Komt misschien nog.

Silver Reef Protestant Cemetery

Er wijst een pijl naar de Pioneer Cemeteries.
Via een zandpad kom je eerst bij de protestantse begraafplaats.
Opgericht in 1870.

Een kant heeft geen afrastering.
Daar liggen de recente graven.
Er wordt hier nog steeds ter aarde besteld.

Verderop enkele mooie, oude stenen (veel van overleden kinderen) en veel, erg veel houten kruizen.
Ik vraag een man die me aanbiedt vragen te beantwoorden of bekend is wie daar liggen.
Nee, zegt hij, alleen dat er graven zijn.
Zo’n vijftig jaar geleden was er een overstroming, toen zijn de stenen weggespoeld.
De Lion’s Club heeft dit met de kruizen hersteld.

Het ziet er schitterend uit.
De ogenschijnlijk woeste vlakte (maar geen troep, geen prikplantjes en hier en daar zelfs een enkel pad) en daarin die haast discrete kruizen.

Later check ik google en dat meldt niets over een overstroming.
Wel vind ik div namenlijstjes zoals deze.
Utah is erg goed in het vastleggen van het verleden, ook als het niet-mormonen betreft.

Een van de ‘nieuwe’ doden is overigens wel een mormoon zie ik aan de marker.

Graven






Graven


West
 



Silver Reef Catholic Cemetery

Het Catholic Cemetery van Silver Reef (net als het Protestant Cemetery opgericht in 1870) ligt een paar honderd meter verderop op een heuvel.


Het is kleiner.
Direct na de poort een groot graf met een hek en een mooie steen.


Verder hier nog minder leesbare stenen.
Dezelfde grote houten kruizen, nu met UNKNOWN erop gekalkt.

unkn

Wat opvalt: veel kunstbloemen bij de onduidelijke graven.
Een mooi, wat vervallen, graf voor een kind.

Achterin een paar recentere graven.
Van het echtpaar Spencer.
Hij zat in het leger. Zij was ‘Reverend’.
Wat me verbaast omdat een ‘Reverend’ protestant pleegt te zijn en dit is een katholieke begraafplaats.

In haar obituary lees ik meer over haar.
June Redden Spencer was geen dominee in een traditionele christelijke kerk.
“She was ordained a minister in the Science of Mind Church in Phoenix, AZ. and received her Doctoral degree from Seminary Services Network, a school she chartered in St. George. From this school she ordained five ministers, who then founded a spiritual group, “Exploring Oneness” that served the community for 12 years.”

Wie net als ik niet weet wat de Science of Mind Church is: er is ook een afdeling in Nederland.
Die op de website uitvoerig uitlegt waarvoor ze staan.

Washington City Cemetery: Big Love

Washington is een stad vlakbij St. George.
De begraafplaats ligt tegen een heuvel, deels onder oude, hoge bomen.
Ik ben er op een zaterdagmiddag. Dan8dringt veel geluid door van het er net achter gelegen sportveld.

Je kunt er als inwoner van de stad worden begraven voor $ 400.
Wil je als niet-inwoner van Washington City hier je laatste rustplaats vinden dan kost het 300 dollar méér.

algDe oudste graven zijn van 1859 en liggen op het hoogste punt van de heuvel waar vandaan je een mooi uitzicht hebt over de stad.

Deze zuil trekt de aandacht.
Hij herdenkt Jacob Sander Bastian, geboren in 1835 in Denemarken, gestorven in 1924 in Washington City.
Op de zuil staat vermeld dat hij getrouwd is geweest met vier vrouwen.
De andere kanten van de zuil zijn gewijd aan drie van de vrouwen – met de vermelding welke kinderen ze hebben gebaard.

Nog in Denemarken bekeert Johan Bastian zich tot het mormoonse geloof.
De zendelingen van de Church of the Latter Day Saints die over heel Europa waren uitgewaaierd hadden namelijk met name in Denemarken veel succes.
Zodat bijna 20.000 Deense mormonen in de tweede helft van de negentiende eeuw emigreerden naar Amerika.
“Homeward to Zion” heette dat.
De overtocht werd gemaakt op kosten van de mormoonse kerk die hiervoor het Perpetual Emigration Fund in het leven had geroepen.

In april 1857 maakt Johan Bastian de reis met zijn vriendin Gertrude (22) Pedersen.
Hij trouwt met haar wanneer het schip in de haven van Liverpool stil ligt.
In juni bereikt het paar Salt Lake City waar Gertrude op 25 september overlijdt.

“Jacob then married his second wife, Johanne Marie Sander on about October 29th, 1857″ vermeldt een nazaat op zijn blog.
Johanne Marie, ook afkomstig uit Denemarken, is dan 22 jaar.
In 1861 trouwt Jacob met de 15-jarige Kirsten Hansen (als kind uit Denemarken naar Utah gekomen) en in 1867 komt ook Mette Marie Sander (zusje van Johanne Marie?) erbij.
Zij is dan 19.

Over Jacob Sander Bastian kan ik alleen nog vinden dat hij heeft gewerkt als boer en dat hij in 1888 zes maanden in de gevangenis heeft gezeten voor polygamie.
En -niet onbelangrijk-: zijn kleinzoon is Philo Farnsworth, de uitvinder van de televisie.

Van zijn vrouwen vind ik alleen over Kirsten (Christine) wat informatie.
In een krant uit 1929 is haar dood vermeld en dat is weer overgenomen op Find a Grave.

De zuil vermeldt de kinderen van de drie vrouwen.
Ernaast is een lange rij met graven van een aantal van die kinderen van wie er veel jong zijn overleden.
Sommige stenen zijn eenvoudig maar mooi (en goed onderhouden).
Andere graven hebben alleen een simpel plaatje.

johanne christine mette

Central City Cemetery

Central ligt in Washington County, Utah, in de bergen ten noorden van St. George.
Ik volg de aanwijzingen:
Take Highway 18 north from St George or south from Enterprise.
Take the Central turnoff near Mile Marker 24.
Turn east on Pine Valley Road and go about 100 feet.
Turn left onto the small dirt road just before the Central Fire Station.
Note the small Central Cemetery sign and follow the road.

Alles gaat goed tot de laatste aanwijzing want er is geen cemetery sign te bekennen.
Ik rijd wat rondje over zandwegen waaraan achter een hek huisjes en woonwagens staan.
Overal borden dat ze doen aan Neighborhood Watch.

Net wanneer ik het wil opgeven: daar is de begraafplaats.
Met een bord dat bijna wordt verborgen achter een overhangende boom.

De begraafplaats is ongeveer een voetbalveld groot.
Met traditionele opstaande achterover leunende stenen van de laatste jaren.
Enkele metalen markers zonder steen die vaak tientallen jaren teruggaan.
Een zuil voor Henry Chadburn, geb. 1848 en overleden 1917.
Bloemen en engeltjes en frutsels.

Het gebeurt me niet vaak maar ik krijg geen enkel gevoel bij deze begraafplaats.
Niets spreekt, niets roept vragen op.

Ik google de geschiedenis van het plaatsje Central.
Het is ontstaan ‘voor 1910’ en er woonden in 2010 ongeveer 600 mensen.
Zo weinig (makkelijk) vindbare informatie is zeldzaam voor stadjes in dit deel van Utah.
Meestal zijn er uitvoerige verhalen over hoe de meest Mormoonse pioniers het gebied hebben ontgonnen en ondanks tegenslagen stug zijn doorgegaan en wanneer de eerste Mormoonse tempel is gebouwd.
Niet hier.

Ik google wat namen op grafstenen en vind niet veel.
Een man is doodgegaan tijdens een spelletje golf en op zijn steen staat ‘Gone golfing’.
Op de steen van een vrouw die naaister van beroep was, staat een naaimachine.

Ontroerd werd ik door deze steen.
Lees waarom het meisje dat kort na de geboorte is overleden hier is begraven.

haltakl

Dit zijn nog wat foto’s van de begraafplaats.


Harrisburg Cemetary

cemHarrisburg is een kleine gemeenschap ten noorden van St. George.
Harrisburg Estates noemt het zich met aan de ingang een bord dat de bezoeker duidelijk maakt dat ze doen aan Neighbourhood Watch.
Verder lopen alle wegen dood zodat duidelijk is dat een bezoeker komt voor de begraafplaats die ‘cemetary’ met een A heet.

Op weg daarheen (het is slechts enkele minuten) kom ik een paar inwoners tegen van wie niemand terug groet.

plaHet oorspronkelijke Harrisburg is als Harrisville gesticht in 1859 door Mormoonse settlers en drie jaar later overstroomd door de Virgin River.
De dappere pioneers bouwden het weer op en herdoopten het plaatsje Harrisburg.
In 1868 woonden er 200 mensen.
Maar het zat ze niet mee met nóg meer overstromingen, een sprinkhanenplaag en aanvallen door indianen.
De inwoners trokken weg naar het nabijgelegen Leeds en Silver Reef en in 1895 was Harrisburg een ghost town.

De kleine begraafplaats ligt ingeklemd tussen huizen.
Twintig bij vijftien meter? Ik ben niet goed in schatten maar veel meer zal het niet zijn.

woodLinks bij binnenkomst staat een plaquette met namen van pioneers die geëerd worden.
Of daarmee wordt bedoeld dat ze hier zijn begraven weet ik niet.
Het lijkt me sterk gezien de oppervlakte van de plek.

drieEr zijn houten markers (beschadigd en onleesbaar).
Er zijn graven zonder steen.
Er zijn graven met alleen een steen met initialen of alleen een metalen marker.

Ook zijn er een paar mooie stenen.

marker full

Het meest merkwaardig blijft hoe deze begraafplaats ligt midden in deze community.

alg2

alg3

Leeds Cemetery

Leeds is een klein stadje in de buurt van St. George in Zuid-West Utah.
Leeds Cemetery heeft een mooie, traditionele poort en de graven liggen links en rechts achter een rij statige cypressen.

Rond 1850 is de begraafplaats in gebruik genomen.
Veel pioneers-graven dus. Met mooie zuilen.

Veel graven van hele families: bijvoorbeeld Sullivan, McMullin, Stirling, Fuller, Angell, Harris, Hartman.
Vooral mormonen.
Niet raar natuurlijk, Utah is Mormon Country.

Bij de ingang hangt een bord met een overzicht waar wie is begraven.
Ingetekend in de grafplekken en ook een namenlijst.
Met locatie en waar mogelijk informatie over geboorte- en sterfdatum.

Er wordt nog steeds begraven, zie ik.
En er is ook nog plaats voor nieuwe graven.

In de verte hoor je de snelweg I-15.
Af en toe rijdt een pick-up langs.

Een prettige plek om te vertoeven.

Enkele van de zuilen

 
 
 

Deze staat schuin
 

met op de voet

Bijzondere zuil

Op de zuil zelf staat niets. Geen naam, geen data.
Blijkbaar is bewust gekozen voor het laten staan van het simpele plaatje dat de begrafenisondernemer altijd bij een pas gedolven graf zet en dat meestal wordt weggehaald wanneer het graf een steen heeft gekregen.

Het meest opmerkelijk vind ik de schoenen (verzwaard met stenen om wegwaaien te voorkomen).
Wat een mooie, originele manier om iemand te herdenken.

Indian girl

Deze steen trekt mijn aandacht.
Een jonge vrouw. Nog maar 23 toen ze overleed en toen al moeder van drie kinderen. En: ‘Indian girl’.
Waarom zouden ze dat er in vredesnaam hebben opgezet?

Ik google en vind meer dan ik had verwacht.
Al moet het meeste worden afgeleid via de bronnen over haar man.

Mormoons Bataljon
Francis Brown (geb. 1827 in Ridgway, NY) treedt op 18-jarige leeftijd met zijn broers Daniel en John toe tot het Mormoons Bataljon – een gevechtseendheid van ruim 500 man, door de Mormoonse kerk in het leven geroepen om mee te helpen in de oorlog tegen Mexico.
Maar ook (of misschien wel: vooral) om Mormoonse pioniers die in het westen van de USA in problemen waren gekomen te helpen.

When the Battalion boys had completed the gruelling trek to the West Coast many were in desperate circumstances, and Francis, sick and in need of help, married an indian girl by the name of Magell.

Trouwen met Indiaanse vrouwen werd aangemoedigd door de LDS-kerk. Om de Indianen gunstig te stemmen, om ze te verheffen in de vaart der volkeren en misschien ook om je erdoor te laten verzorgen als je ziek was.
Deze Indiaanse vrouw was op dat moment nog heel jong.
Volgens haar grafsteen geboren in 1835, volgens de annalen van de Mormoonse kerk in 1836.
Vast staat in elk geval dat ze haar eerste kind, George Washington Brown, kreeg in 1850 en haar tweede, Ellen, in 1852.

Elizabeth
Intussen kreeg Francis kennis aan Elizabeth Potter (geb. 1822), een moeder van drie kinderen, die net bij haar man weg was.
Francis was coming to Utah so Elizabeth left California with her family in company with the Brown family in 1858.
Elizabeth was expecting Arnold Potter’s child and Magell was expecting another child.
On the way to Utah they experienced many hardships.
When the families reached St. George, Utah, both babies were born about the same time.

Het kind van Elizabeth werd Lisa Ann genoemd.
Magell noemde haar dochtertje Mamie maar ze overleed kort na de geboorte en werd begraven in Leeds. “The baby was given to a family living there.”
Francis trouwde direct met Elisabeth en kreeg met haar nog vijf kinderen.

Wie was ze
Wie o wie was Magell Mancheeta.
Waarom trouwde ze met Francis, hoe vond ze het leven met hem, hoe reageerde ze erop toen hij met vrouw-2 kwam aanzetten, was er ergens nog familie die om haar gaf.

Er zijn meer mensen die iets over haar willen weten.
Mormonen wier verre voorouder zij is.
Ze zoeken op Mancheeta Magell, Mcgill, Magall, Magill (want zo wordt haar achternaam in verschillende documenten geschreven). Niet dat een ervan haar naam *is*: “I am trying to find out Mancheetas Indian Name. Also did you know that Mancheeta was an Amah Mutsun Indian?”

De draad op het forum waarop ik dit tegenkwam eindigt in september 2011 wanneer mensen elkaar uitnodigen per mail contact op te nemen om zo verder te praten.
Het gaat me wat ver om me hierin te mengen met “ik zag die steen en hij viel me op”.
Overigens valt niemand over dat ‘indian girl’ op de steen.
Dus misschien is dat voor die tijd normaal?