Gevonden

Wanneer ik in Yuma ben ga ik naar Terrace Park Cemetery in Holtville, CA.
Op het Potter’s Field fotografeer ik stenen van John Does (meest illegalen die de tocht naar het beloofde land Amerika niet hebben overleefd) en mensen die zo arm waren dat ze gratis moesten worden begraven.

(Bak)steen-na-(bak)steen. En dan die mensen invoeren in Find a Grave.
Soms alleen een achternaam en dan ook nog vaak een zeer algemene zoals Smith of Vasquez. Ik kan me niet voorstellen dat ooit iemand op die manier een ver familielid opspoort en terugvindt.
Maar je weet nooit.

Gisteren krijg ik een mail van een man die zocht naar zijn tante.
“My aunt was lost for years until I found her grave in Holtville.
I want to thank you for helping me find her grave. I’m going to visit it in 2 weeks. I’m in Yuma for the winter and will be going back to Montana, where I live, my wife and I will stop and pay our respects.

Ineda was living in El Centro and I couldn’t find her before now.”

Volgende maand dus opnieuw naar Holtville en ook meer fotograferen op het Potter’s Field van El Centro.

Potter’s Field

Het bezoek aan het Potter’s Field van Evergreen Cemetery op 20 september 2011 doet me totaal van koers veranderen.

Mijn idee dat ik alle onbekende doden die ik tegenkom een plaats moet geven op Find a Grave en ook hier, laat ik noodgedwongen varen.
Alleen al op dit veld liggen er duizend (zo niet meer). Wat is de zin van het invoeren van John Doe -cijfer- en John Doe -cijfer- en dat dan duizenden keren?
Niemand zal ooit weten wie deze onbekende doden zijn. Zij ontlenen er geen troost aan en hun nabestaanden evenmin.
Vanaf nu richt ik mij op de armen met wél een naam. Ook al is dat vaak slechts een achternaam (met al dan niet eraan toegevoegd -cijfer-).

Op 20 oktober 2011 ga ik terug.
Ik weet nu hoe het veld eruit ziet maar zoals vaker met begraafplaatsen doet dit niets aan de betovering af.

Een grote zanderige vlakte is het.
(Bak)stenen in lange rijen, ruwe wagensporen er tussen.
John Doe – John Doe – John Doe – Jones – John Doe – John Doe – Sanchez – Rodriguez – John Doe – John Doe – John Doe.
En de stenen met alleen een cijfer.

De oudste graven dateren van de jaren dertig van de vorige eeuw, de meest recente van de jaren negentig.
De meeste graven hebben geen datum, alleen naam of nummer.

Aan de zijkant tegen de heg die grenst aan de rest van de begraafplaats staan enkele normale grastenen. Oude grafstenen.
Zodat ik denk: zouden ze daar zijn begonnen? Was het toen nog geen armenveld?

Een aantal graven heeft later een echte steen gekregen. Er liggen ook veteranen.
Bij meer dan ik had verwacht liggen attributen en kunstbloemen.
Dan heb ik het over ook weer niet meer dan tien-vijftien graven en die verwachting is gebaseerd op wat ik weet van Holtville.

Hier geen No Olvidados. De Border Angels doen deze plek blijkbaar niet aan.
Hoewel – op de foto’s zie ik stokjes die vergane kruisjes kunnen zijn. Ik heb er geen bijzondere herinnering aan maar er stónd bij een klein aantal graven in één hoek dus wel iets.

Ik zal er nog vaak terugkeren. Omdat ik (weer: door Holtville) heb ontdekt dat het kán gebeuren dat iemand denkt: mijn ver familielid dat ik steeds niet kon vinden kán liggen op het arme deel van Evergreen Cemetery.

Verder vind ik dit soort plekken ook erg mooi.
De eenvoud, de grote vlakte, vrijwel niemand die meer ‘is’ dan een ruwe baksteen.

Gevonden

Achteraan, tegen de bosjes, ligt op rij 2 graf 40.
Op het Potter’s Field van Terrace Park Cemetery in Holtville, Californië.

Het is het graf van Lloyd Henegar.
Een baksteen met zijn naam erin gegrift. Tussen de vele John Does en (vooral) mensen met Spaanse namen.
Ik fotografeer het in het voorjaar van 2011 en maak er in september op Find a Grave een memorial voor.

Familie kan op Find a Grave vragen om een ‘transfer’ van een Memorial.
Ze kunnen het dan zelf verder optuigen zonder steeds aan de maker te vragen of die er nog wat informatie op wil zetten.

Ik heb intussen 2500 memorials gemaakt en ik heb er twaalf overgedragen.
Geen ervan lag op een Potter’s Field – tot een paar weken geleden iemand vraagt om Lloyd Henegar.

Ik draag hem over en van een steen wordt hij een mens.
Met een tweede voornaam. Lloyd blijkt ‘Jr’ te zijn.
Hij is geboren in 1951 in Tennessee en gestorven in 1997 in Imperial.
Hij moet érg arm zijn geweest dat ze hem hier hebben begraven en niet op Memory Gardens in Imperial zelf.

De familie komt uit Duitsland, mailt mij zijn familielid. Daar heetten ze Heneger, wat eenmaal in Amerika is veranderd in HenegAr.
Een deel is zoek geraakt tijdens de Civil War, de meesten werkten als arbeiders in Alabama en Georgia.
Deze Lloyd Henegar heeft acht broers en zusters, vier ex-vrouwen en vier kinderen.
Tot nu toe: onvindbaar. Net als zijn ouders.
Des te bijzonderder dat hij – door mij! – is gevonden.

Daar doe ik het dus voor.
Anderhalf uur staan stoven in de brandende zon, klik-klak, stap opzij, klik-klak, stap opzij, klik-klak.
En dan invoeren, 1 voor 1. De saaie stenen, vage namen.
99 van de 100x zinloos – omdat niemand zal zoeken en dus ook niet vinden.
Tot nu Lloyd Henegar.

In mei 2012 ga ik terug naar deze begraafplaats.
Ik zal bloemen meenemen voor Lloyd.

Instortingsgevaar

De laatste keer dat ik in Holtville ben, word ik aangenaam verrast door de op het Potter’s Field versierde graven. Handbeschilderde houten kruisjes, voor elk graf 1.

Ik ben erop voorbereid dat het er nu minder feestelijk zal uitzien. Storm en regen hebben vast omgeblazen en weggewaaid.
Dat klopt.
Maar wat is er met de grond gebeurd?
Hij is nat, ik zak er een beetje in weg. Klei is het maar van een speciaal type.
Grote, zware auto’s hebben over het pad gereden en diepe sporen getrokken. Aan de zijkant van het pad en deels erop liggen houtsnippers.

Ik heb genoteerd waar ik vorige keer ben gestopt en pak het fotograferen weer op bij Row 9.
Niet alleen zijn kruisjes weg, zie ik. Ook stenen ontbreken. Hoe kan dat nou? Die waaien niet weg en niemand zal ze toch meenemen? Soms staat er nog wel een mager kruisje maar ontbreekt de steen. Ik herinner me dat vorige keer ook niet alle graven een steen hadden, maar nu lijken dat er meer.

Wat echt erg is: er zijn gaten. Niet onschuldige gaten zoals van holletjes van gophers. Echt diepe gaten. Kuilen. Ik voel de aarde veren. Ik aarzel of ik hier wel mee door moet gaan.
Ook gedachtig de verhalen (ja hoor, daar gaan we weer: op dit moment grijpen horror stories die vast zijn verzonnen hun kans).
Ik denk dus: dadelijk zie ik botten. Of op z’n minst een body bag.

Maar ik ben er nu toch en zal de graven met de grotere kuilen mijden en mijn fotoronde afmaken.
Dan, op row 13 een echt diepe kuil. Kijken? Kijken.
Vanaf toch veilige afstand zie ik niets. Geen botten, geen grijpende handen. Foto’s maken dus maar en die straks goed bekijken. (Wat niks oplevert)

Het is een deprimerend bezoek vandaag. Dus maak ik om mezelf wat op te vrolijken of op z’n minst de gedachten te verzetten een wandeling over het mooie deel van Terrace Park Cemetery.
En ontdek dat je ook hier als graf(steen) je stevig bestaan niet zeker bent.

Potter’s Field

Langzaam rijd ik op 20 september 2011 naar het achterste deel van Evergreen Cemetery.
Het is het oude deel. Met staande stenen onder grote bomen (het nieuwere deel heeft platte stenen met groen gras).
Ik ben op zoek naar het oudste deel, in de hoop daar meer te weten te komen over de pioniers die in dit deel van de Imperial Valley een nieuw leven zijn begonnen. Ik verwacht veel verschillende landen van herkomst aan te treffen.

Het veld is snel gevonden. De auto kwijt raken is vers twee. Zomaar ergens neerzetten wat elders kan, lukt hier niet door de smalle paden. Zodat ik een hoek omsla en een veld zie liggen dat sterk lijkt op het Potter’s Field van Holtville.
Verboden toegang staat er. Alleen toegankelijk voor personeel.
Omdat ik nu toch al zover ben rijd ik door en parkeer precies achter de heg, uit het zicht vanaf de officiele begraafplaats.
In de verte is een man aan het schoffelen. Hij negeert me.

Snel maak ik wat algemene foto’s. Ook fotografeer ik een aantal stenen. Mexicaanse namen, een enkele Engelse naam, veel John Does en: nummers. Rijen van nummers. Nog veel meer onbekende en arme doden dan in Holtville. Een enkele versiering bij een graf en: niets recents.

Ik keer de auto en zet die verderop. Fotografeer onder de bomen en wanneer een begrafeniswerker me vriendelijk toelacht vanuit zijn auto waag ik het erop.
Mag ik iets vragen? Dat deel daar, zijn dat de arme mensen? Ja, vertelt hij, dat is ‘County’.
Arme mensen en illegal aliens, ga ik door? Want ik zag: John Does. Inderdaad. John Does, Jane Does, bij enkele graven heeft familie een steen toegevoegd.
En die nummers, zeg ik. Ja, zegt hij. (Pas later denk ik: ik had moeten vragen of de nummers onbekenden zijn of dat er ergens een groot boek is waar bij elk nummer wel degelijk een ‘mens’ staat genoteerd).

Worden er nog steeds mensen begraven, vraag ik. Zoals in Holtville.
Nee, zegt hij. Voor zover hij weet niet. Hij werkt hier 20 jaar en de laatste 2 jaar is er niemand begraven. Maar hij heeft vrijdag en zaterdag vrij. Het kan dus dat het dan gebeurt. Maar misschien niet en gebeurt het nu alleen in Holtville.
Ik moet denken aan de verdenkingen. Dat in Holtville midden in de nacht stiekem de illegalen worden gedumpt. Ik durf hem niet te vragen of dat hier mogelijk kan zijn.

Later, na wat googlen, schrik ik hoe ik mezelf heb laten beinvloeden door een artikel dat ik toen ik het las pure verdachtmaking vond. Toch bleef blijkbaar iets hangen.

Het zit -hier- nl zo: in El Centro was het armenveld al in 1996 vol.
Toen is men in Holtville met een dergelijk veld begonnen.
Althans – zo lees ik het hier.

Waarom is het verboden toegang wil ik nog weten. Dat heeft te maken met de bodem. De doden zijn nl niet zo begraven als hier, in het sjiekere deel (stomme ik vraagt weer niet door – bedoelt hij dat ze niet in kisten liggen, misschien zelfs niet in body bags? dat ze niet erg diep liggen? iets anders?). Maar daardoor is het gevaarlijk er met een auto te rijden. Die auto kan wegzakken.

Mag ik er rondkijken? Dat mag. Ik zal immers niets kapot maken? Alleen fotograferen, zeg ik.
Om als iemand anders wel bezwaar maakt te kunnen zeggen “ik had toestemming van X” vraag ik zijn naam. Carlos. Ik ben Jeannie. “It was nice talking to you,” sluit ik af. Dat vond hij ook, zegt hij.

Ik loop terug naar het Potter’s Field. Maak nog wat foto’s. Probeer te schatten hoeveel graven er zijn. Meer dan in Holtville. Duizend? Meer dan dat? John Doe ligt naast John Doe ligt naast John Doe. Niet zoals in Holtville met Row x – y in de steen gekerfd. Maar ook met als extra: een nummer. Staan ze dan echt allemaal in het Grote Boek?

Dan dringt tot me door: alle John Does een plek geven op internet, 1 voor 1, als de individuen die het waren voordat ze zonder naam dood werden aangetroffen – dat gaat me nooit lukken. Het zijn er teveel waarvan ik nog maar een zeer klein deel heb gevonden.

Als ik iets voor ze wil betekenen moet het anders aangepakt. Weg van het individu, meer toespitsen op de grote lijn wat in deze regio betekent: de troosteloze tocht vanuit Mexico, door de woestijn met al z’n gevaren.

En dat is tegelijk wat ik *niet* wil.
Omdat het me niet alleen om issues gaat maar juist om de mensen die ze treffen.

De verhalen over Holtville cemetery

Ik ben niet de enige die wordt gefascineerd door de armenbegraafplaats in Holtville.
De Border Angels, die in de woestijn water en kleding achterlaten om de illegalen te helpen, brengen hier ook regelmatig een bezoek. Zij plaatsen de kruisen. En ze bidden.

Ik vind online een paar verslagen van studentes die als vrijwilligster waren meegegaan.
En een verslag van Jay Johnson-Castro. Een activist.
In februari 2007 bezoekt hij Terrace Park cemetery. Hij beschrijft het Potter’s Field als ‘a secret cemetery’ en ‘hidden from public view’.

A few basic details
Here’s a few basic details that we learned. According to local folks, there are no public burials. The victims are buried around 2am or 3am…by women “slaves”. There is no evidence of a dignified burial with some kind of ceremony.
No one knows how many are really buried there. No one seems to know if they are…or how many are…men, women or children. Although one knowledgeable Latina says that there is a cemetery in San Diego with nothing but unidentified children in it.
No one knows if the buried persons are in caskets or body bags…or. No one knows whether autopsies were performed. No one knows exactly where the actual graves are. No one knows who pays for the burial…or how much.

Massagraf
Hij redeneert verder dat het gaat om een massagraf. Op basis van de grond denkt hij dat.
Hoe hij tot die conclusie komt – ik kan het niet volgen. Maar lees het artikel en oordeel zelf.

Wat mij stoort in zijn aanpak is het ‘niemand wil erover praten maar door de locals te ondervragen *ontdekten* wij…’ en dan allemaal nare dingen bv zoals over die ‘women slaves’.
Nog een citaat: ‘One knowledgeable Latina says that there is a cemetery in San Diego with nothing but unidentified children in it.’
Tjee. Laat je dat nou zó kunnen googlen. En er is niks geheimzinnigs aan.

Nobody knows
In een ander artikel wordt deze Johnson-Castro sprekend opgevoerd. “They say women are brought here in the middle of the night to do the burying,” says Johnson-Castro. “The federal government contracts with Imperial County to pay the city to bury these people, and nobody knows who they are. These are totally anonymous people who died as a result of our pathetic immigration system. Nobody is thinking of these people. The bodies are just thrown into the ground and dirt is pushed over them with a blade.”

Zo gaat iets een eigen leven leiden. Maar elders vind ik bij (volunteers) Lila en Samantha dat ze ‘coffins’ zagen (klaar) staan.
En hier zie ik planken klaar gelegd om te markeren waar een graf moet komen. Een eenpersoonsgraf.

Autopsies
Het artikel in de New York Times waaruit ik eerder citeerde vertelt het zeer gedetailleerd. Dat er wel degelijk autopsies zijn, dat ze proberen de familie te vinden. Om een praktische reden: dan hoeft Amerika niet voor de kosten van het begraven op te draaien. En dat wordt begraven in een laken en een kist van ‘particleboard’.
Nu kun je zeggen: jamaar, dat artikel is uit 2004. Klopt.
Maar dan zou ik willen weten wanneer ze daarmee zijn gestopt en waarom.
Ipv wild te roepen over massagraven en slavinnen.

Kruisen
Er is nog een aspect waarover onduidelijkheid bestaat. De kruisen.
De Border Angels zetten ze regelmatig neer. Waarom ‘regelmatig’? Omdat de begraafplaats ze weg haalt, heeft Lila gehoord.
Omdat de stormen ze wegmaaien, lees ik elders (ook uit de mond van de oprichter van de Angels, Enrique Morones).

Ik wou dat iemand het eens goed uitzocht ipv zich over te geven aan gruweltheorieën en mythes.
Alsof de werkelijkheid niet erg genoeg is.

Zaila Gonzales/Zolla Gonzalez

In september 2010 dwaal ik op het Potter’s Field van deze begraafplaats rond tussen de graven van de vele John Does en een aantal arme mensen op wier baksteen in elk geval hun naam stond. Geen geboortedatum, geen sterfdatum, geen lieve tekst. Maar de naam en de ‘vind/ligplaats’.
Row 4-7 in dit geval.

Ik fotografeer de steen en voer de overledene in bij Find a Grave.
Zaila Gonzales.

Op 14 mei 2011 bezoek ik de begraafplaats opnieuw.
Ik ben vergeten welke rijen met stenen ik al fotografeerde en het doet er ook niet toe want dit keer hebben bijna alle graven een versgeschilderd kruis en die foto kan ik allicht toevoegen als ik al een Memorial op Find a Grave heb gemaakt.
Row 4-7 blijk ik inderdaad eerder te hebben bezocht.

Maar op de huidige steen staat een iets andere naam.
Geen Zaila Gonzales maar Zoila Gonzalez.

Iemand heeft dus gezegd: de naam is fout. Onder die steen ligt geen Zaila maar een Zoila (“It’s Liza with a Z nog Lisa with an S”) en ook geen Gonzales maar een Gonzalez (“not Minnuli or Minnelei”).
Wat ik me afvraag: *wie* heeft doorgegeven dat de naam niet klopt.
Familie van de dierbare overledene? waarom doet die dan niet méér met dat graf?
Al is het maar een simpel plastic bloemetje. Of een pebble.

En als het niet familie of vrienden waren – wie dán?

Versierde kruisen

Ik wil ze opnieuw bezoeken, de onbekende doden van Terrace Park Cemetery.
De graven fotograferen waar ik de vorige keer niet aan toe kwam.
Mij staat niet helder voor de geest welke rijen ik toen koos. Maar desnoods zitten er wat dubbels bij.
In elk geval kan ik pebbles/marbles achterlaten.

Over de goed bijgehouden relatief kleine begraafplaats loop ik op 14 mei 2011 naar achteren. Stap over de ketting, loop het lange pad af. Maak een foto: aan het eind van dit pad achter die heg, daar is het.

Ik ben bij de heg en: een wonder.
Alle graven hebben kleurige kleine kruisjes.
Iemand heeft voor de doden gezorgd.

Ik ga dichterbij. Elk kruis heeft een ‘Niet vergeten’ als tekst, meest in het Spaans, een enkele keer in het Engels.
Alle kruisen zijn anders. Met de hand beschilderd. Sommige erg mooi.
Helaas zijn er ook al wat omgevallen en afgebroken. Voor zover mogelijk leg ik ze als ze zijn weggewaaid dichter bij hun steen.

Ik fotografeer de rijen 1 t/m 6 en een paar stenen met kruisen op rij 1A.
Veertig doden op een rij. Samen ongeveer 250.
Ik neem me voor over twee weken terug te gaan.
Voor de andere zes+ rijen.

Ik zal vast stenen van John en Jane Doe’s fotograferen die ik al eerder op Find a Grave zette.
Maar nu kan ik daar een mooiere foto aan toevoegen.
Niet langer een simpele steen met John Doe en Row zoveel nummer zoveel.
Maar een eigen kruis erbij. En wat pebbles. Die ik nooit fotografeer omdat ik dat ervaar als een soort geschiedvervalsing.
Niet vergeten.

Ik heb moeite me van het armenveld los te maken.
Wat een geweldige mensen hebben dit gedaan.
De Border Angels misschien?

John Doe na John Doe na Jane Doe

Wanneer ik op 14 mei 2011 op deze begraafplaats ben wil ik alle stenen fotograferen.
Zodat ik alle, meest naamloze, doden tzt een plaats kan geven op Find a Grave.
Omdat elk mens die plaats waard is. Ook al blijft er niets meer van haar of hem over dan een baksteen met ‘John Doe’ of ‘Jane Doe’ en het nummer van de rij en het graf: Row 5 – 7.
Op die manier.

Ruim tweehonderd foto’s neem ik.
Systematisch.
Helemaal klaar ben ik dan niet maar wel tot op ongeveer de helft.

Drie dagen geleden begin ik met de stenen 1 voor 1 op Find a Grave zetten.
Nadat ik eerst een lijst heb gemaakt (handmatig, je kunt er niet op sorteren) van de John en Jane Doe’s die ik al eerder heb toegevoegd. Slechts te onderscheiden op hun rijen met nummers.
Wat al behoorlijk troosteloos is.

Ik bewerk elke foto, voeg elk individu toe, neem die dan ook op in mijn Virtual Cemetery van de Lost Souls en deel bloemen en kaarsjes en engelen en soms een tekst uit.
Wat warm and fuzzy voelt. In het begin.

Dan heb ik tachtig of misschien honderd of misschien nog meer mensen toegevoegd en ik merk steeds meer dat ik er genoeg van krijg. Omdat het sáái is. Al die John Doe’s.
Een enkele Jane zorgt voor afleiding. Maar de meeste zijn toch Johns en de kruisjes gaan ook steeds meer op elkaar lijken.

Nog meer dan 100 te gaan, zie ik.
En denk stiekem: zal ik ze een tijdje laten liggen. Eerst wat *leukers* doen.
Mooie engelen en andere beelden, mooie levens- en doodsverhalen.

Waarmee ik me schuldig maak aan dat wat ik wil voorkomen. De naamloze doden afdoen als verwisselbare wezens.
Niet als individu relevant. Omdat ik hun geschiedenis niet kan achterhalen.

Niet doen dus.
Doorstomen. John Doe na John Doe na John Doe.
Zoals ze ook 1 voor 1 na elkaar in de woestijn van Imperial County zijn gevonden.

Dilemma

Ik ben bezig met het toevoegen aan Find a Grave van graven van arme mensen van Terrace Park Cemetery in Holtville, Californië.
Mensen die in Potter’s Field zijn begraven tussen de John Does. Met alleen een baksteen en het nummer van hun grafplaats.

Ik google ze altijd even. Voor het geval er iets meer over ze te melden valt dan: onder deze treurige baksteen ligt Jack of Isaac of Judith.
Ongeveer zestig graven heb ik al ingevoerd en nooit heeft google enige informatie.
Tot nu. Over een man met de achternaam Lankford – klik op de foto voor de voornaam.

Ergens op een genealogie-site heeft een vrouw tien jaar geleden vermeld: “I am the daughter of (…)  Lankford (whereabouts unknown) and Mary Loriene Becknell, of Neosho Missouri. I am the 4th child..”
Whereabouts unknown.
Dit kán die (…) Lankford zijn. Het hóeft natuurlijk niet.

Moet ik deze vrouw nu melden dat ik misschien het graf van haar vader heb gevonden? Dat hij als een pauper is gestorven in Holtville, Californië?
Zou ze dat willen weten?
Misschien is het wel niet eens haar vader.
En misschien is ze zelf wel dood (het bericht is van tien jaar geleden).

Dit heb ik nog nooit bij de hand gehad.
En ik neig tot: niets doen.

(nb eerst stond de volledige naam in dit stukje, tot ik door een comment erop werd gewezen dat áls de vrouw zou googlen op haar vader ze zou belanden op een Nederlandse site waarop zijn naam werd vermeld = verwarrend)

John en Juan Does (en arme mensen)

Ik had over ze gelezen en ik wou ze zien – de graven van de illegalen die dood in de woestijn of de irrigatiekanalen tussen Mexico en Californië zijn gevonden.
Terrace Park Cemetery heeft er rijen van. Las ik. Honderden. Alleen kan ik ze eerst niet vinden.
Dat klopt omdat ze op een apart terrein liggen, afgesloten met een touw en ‘verboden toegang’.


Caretaker/gravedigger Martin (Sanchez) brengt me erheen. En wat direct opvalt is hoe het mooie versbesprenkelde gras na het touw abrupt overgaat in klei. Zanderige klei en -kan ik me zo voorstellen- als het geregend heeft plakkerige kleefklei waarin je wegzakt tot je enkels.
Ik maak foto’s naar links en naar rechts.


Links is het veld vol, rechts is nog plaats voor graven van veel mensen.
Ze hebben stenen met een nummer en soms een houten kruis.
Het zijn niet alleen illegalen die hun verlangen naar een beter bestaan met de dood hebben moeten bekopen.
Het zijn ook arme mensen. Geen geld voor een graf, begraven op kosten van de overheid.

Ik vind twee artikelen (er zijn er vast meer).
Een uitgebreid verhaal in de New York Times van 2004, ook over de kosten: $ 440 for the plot and $ 457 for the coffin, sheet, nails and transportation. Tel daarbij de autopsie en het gekoeld bewaren en het totaalbedrag is -in 2004- per John Doe $ 2500.
Via de cache van google ook een artikel uit de Imperial Valley Press van oktober 2009:

(..) it’s toward the back where 508 gravesites for people of limited means are kept, with 271, or 53 percent, of those graves comprising of U.S.-born citizens, said Chuck Jernigan, superintendent of the Central Valley Cemetery District.
But 237 of those gravesites, or 46 percent of the one-acre area, are made up of John Does, Jane Does or unidentified people. Included in the mix are undocumented immigrants, Jernigan said.

Ik wist toen ik hierheen ging wat ik zou aantreffen, dacht ik.
Ik had erover gelezen, ik had foto’s gezien. Sterker: ik ging hierheen omdát ik de graven wou zien en beleven.
Ik was niet voorbereid op hoe het zou vóelen. De troosteloosheid.
Het stap voor stap, meter voor meter, graf voor graf, onbekende na onbekende. Nog een rij. Nog een steen. Een kruisje, een omgevallen kruis, geen kruis.
Daartussen 1 échte steen (hoe kan dat nou? alsnog later hier geplaatst?).
Mijn opzet is álle graven fotograferen, álle doden een plaats geven.
Hier of bij Find a Grave.


Maar het zijn er te veel, het is te warm, de troosteloosheid vliegt me aan, ik ga harder lopen, ik klik niet meer alles, ik geef op.
Ik ga terug. Volgend jaar in mei.

Onbekende doden

   
   
   
   

Terrace Park Cemetery

Terrace Park Cemetery in Holtville, Californië wil ik bezoeken omdat ik heb gelezen dat er erg veel illegale vreemdelingen begraven zijn.
Het lot van anonieme doden trek ik me aan, ik wil iets met ze dóen, ze een vorm van erkenning geven. Een plaats. Al is het maar op dit weblog.

Op 11 september 2010 ga ik erheen.
Ik heb een lijstje bij me met vier photo requests. Voor foto’s van graven.
Die kunnen mensen indienen via Find a Grave.
Ze zijn, ontdek ik, een ideale manier om als legitimatie te dienen tegenover verzorgers van de graven.

In Holtville tref ik Martin. Een grafsteen had ik zelf al gevonden, hij wijst me de andere drie.
Bij die van Myrl E. Parker heeft hij een verhaal. Myrl was de plaatstelijke grocer of pharmacist (ik ben vergeten wat het was, maar een van de twee).
Het graf van zijn vrouw Melva, die in 1986 was overleden, bezocht hij elke dag – precies om drie uur. Bij het graf van Myrl zelf had Martin nog nooit een bezoeker gezien.

De begraafplaats is grassig-goed onderhouden (in elk geval het deel van de niet-illegal-aliens) en wanneer we bij het graf van Myrl Parker komen staat daar een dikke laag water op van de sprinkler. Martin zal het voor me schoonmaken.
Ik vraag of ik daar ook een foto van mag maken. Dat mag.

Daarna brengt hij me naar het troosteloze terrein verderop. Met de onbekende doden en de wel-bekende doden zonder geld voor een behoorlijk graf die met het een baksteen als markering moeten doen. Martin laat doorschemeren dat hij begrip heeft voor de Mexicanen die in de hoop op een betere toekomst door de woestijn Amerika intrekken en dat vaak niet overleven.
Ik deel dat begrip maar mijn compassie betreft alle onbekenden die zo worden begraven en ik slaag er niet in dat duidelijk te maken (taalonhandigheid).

Ik ga zeker terug naar Terrace Park. Omdat ik een deel van de begraafplaats met mooie beelden niet kon fotograferen omdat de sprinklers er nog stonden te sproeien.
En omdat ik er door de hitte niet in slaagde de bakstenen van álle John Does te fotograferen.
Wat ik wel graag had gewild.

Arme mensen

Een Potter’s Field is het deel van een begraafplaats waar arme mensen worden begraven.
Terrace Park Cemetery in Holtville heeft een zekere bekendheid omdat er honderden onbekende doden liggen – meest illegalen die vanuit Mexico naar Amerika kwamen en de tocht niet overleefden.

Tussen de vele John Does liggen ook erg veel mensen met een naam. Arme mensen. Begraven op kosten van de gemeenschap. Met als grafsteen een baksteen. En heel soms een houten kruisje. Geen jaartallen, geen gevoelige teksten.
Sommige stenen kan ik niet lezen. Er zijn er ook -enkele- waar iets bij ligt.

Iedere naam voer ik in bij google. Het kán toch dat een arm iemand de krant heeft gehaald. Al is het maar door een gruwelijk sterven.
Ik vind niets.